Uw verweer tegen lokale belastingen

Verweer tegen lokale belastingen is mogelijk. Het arsenaal aan verweermiddelen dat u hierbij kan hanteren is voldoende uitgebreid. Thierry Lauwers, Advocaat en Docent Hogeschool Gent (www.lauwers-law.be), heeft hierover het boek “Lokale belastingen en fiscus – wegwijs in bevoegdheden en procedures” geschreven. FinanceWorld sprak met de auteur over de actuele discussie betreffende de belastingen op vertoningen en vermakelijkheden.

Gemeenten mogen geen belasting op het inkomen heffen

De bevoegdheden van gemeenten en provincies om belastingen te heffen zijn beperkt. Zo is er op basis van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen een verbod voor gemeenten en provincies om belastingen op het inkomen te heffen (art. 464, 1° WIB 92).

De provincies, de agglomeraties en gemeenten zijn niet gemachtigd tot het heffen van  opcentiemen op de personenbelasting, op de vennootschapsbelasting, op de rechtspersonenbelasting en op de belasting van niet-inwoners of van gelijkaardige belastingen op de grondslag of op het bedrag van die belastingen, uitgezonderd evenwel wat de onroerende voorheffing betreft”.

Eenzelfde grondslag mag dus niet twee keer belast worden. Elke belasting die de grondslag van een inkomstenbelasting als berekeningsbasis zou gebruiken is in dat geval een verboden gelijkaardige belasting. In de praktijk bestaan er al enige tijd indirecte belastingen waarvan de berekeningsbasis zeer nauw aansluit bij de grondslag van de inkomstenbelastingen.

De belasting op vertoningen en vermakelijkheden die geheven wordt in de vorm van een percentage op de brutowinst of in de vorm van een vast bedrag per toeschouwer is hiervan een typisch voorbeeld volgens de auteur.

Zijn belastingen op vertoningen en vermakelijkheden belastingen op inkomsten?

Belastingen op vertoningen en vermakelijkheden

Heel wat gemeenten heffen een belasting op vertoningen en vermakelijkheden. Dit kunnen filmvoorstellingen, beurzen, theatervoorstellingen, pretparken of andere evenementen zijn. Het zijn voornamelijk de gemeentes waar grote evenementen plaatsvinden die deze belasting heffen. We denken hierbij aan Vorst, Antwerpen, Gent, Luik en Brussel.

Er zijn al verschillende organisatoren van grote evenementen naar de rechter gestapt om de rechtsgeldigheid van de gemeentebelasting op vertoningen en vermakelijkheden in vraag te stellen.

Berekend als percentage brutowinst is verboden gelijkaardige belasting

Oorspronkelijk werd de belasting op vertoningen en vermakelijkheden berekend op basis van de bruto ontvangsten aan toegangsgelden. Een gemeentebelasting die berekend wordt als percentage van de brutowinst, sluit nauw aan bij de inkomstenbelasting. Deze wordt immers ook berekend op basis van de (gecorrigeerde) winst.

De belastingen op vertoningen en vermakelijkheden die op die manier berekend worden, werden door de rechtspraak dan ook in strijd geacht met artikel 464, 1° WIB 92. Dit zowel door de Raad van State als de hoven van beroep en diverse rechtbanken van eerste aanleg.

Sinds de publicatie van het boek “lokale belastingen en fiscus” werd deze lijn in de rechtspraak ondersteund door een uitspraak van het Hof van Cassatie.

Vlaanderen en Wallonië niet op dezelfde lijn

Er is tegenstrijd tussen Vlaanderen en Wallonië. Daar waar de Nederlandstalige rechtspraak en doctrine oordelen dat die gemeentebelasting inderdaad een verboden gelijkaardige belasting is, blijft er in Franse doctrine twijfel bestaan.

Een bepaalde strekking in de Franse doctrine houdt ook rekening met een oud artikel 36 van de Wet van 24 december 1948 dat de eigen Rijksbelasting op openbare vertoningen en vermakelijkheden heeft afgeschaft. Deze minderheidsstrekking verdedigt de stelling dat vanwege artikel 36 van de Wet van 24 december 1948 de gemeenten gerechtigd zouden zijn om een belasting op vertoningen en vermakelijkheden in te voeren.

Ook de Raad van State heeft op 12 januari 2010 twee arresten uitgevaardigd waarin te lezen staat dat op basis van het oude artikel 36 de gemeenten dergelijke belasting mogen heffen.

De Franse doctrine en de arresten van de Raad van State dd. 12 januari 2010 zijn gebaseerd op de oude berekeningswijze van de reglementen betreffende de vertoningen en vermakelijkheden, namelijk op een percentage van de omzet. De auteur is er dan ook van overtuigd dat het argument waarop deze arresten en de Franse minderheidsstrekking in de doctrine steunen, namelijk het oud artikel 36 van de wet van 24 december 1948 voorbijgestreefd is, rekening houdend onder andere met de bijna unanieme Nederlandstalige rechtspraak, de uitspraak van het Hof van Cassatie dd. 10 december 2009 en de unanieme Nederlandstalige doctrine.

Berekend als vast bedrag per toeschouwer?

Er zijn al heel wat gemeenten die hun reglementen hebben aangepast. In de meeste huidige reglementen  wordt de belasting berekend op  een vast bedrag per toeschouwer.

Volgens de auteur verandert dit niets aan de schending van artikel 464, 1° WIB en blijft zulke belasting op vertoningen en vermakelijkheden een verboden gelijkaardige belasting. Hij geeft hiervoor volgende argumenten aan:

  • De tekst van art. 464, 1° WIB 92 is duidelijk en behoeft geen interpretatie. Het artikel heeft een ruime en algemene draagwijdte.
  • Artikel 36 van de Wet van 24 december 1948 is niet meer van toepassing, het is immers niet opgenomen bij de coördinatie van het wetboek inkomstenbelastingen.
  • Recente rechtspraak toon aan dat ook belastingen berekend op een vast tarief en zonder directe band met de grondslag of het bedrag van een inkomstenbelasting een verboden gelijkaardige belasting zijn.


Boek als leidraad om u te verweren tegen lokale belastingen

Het boek is een instrument voor iedereen die geconfronteerd wordt met lokale belastingen. Wat kan u doen? Wat zijn uw rechten?

Het boek geeft een lijn van argumenten om u tegen gemeentebelastingen te verweren. Er zijn immers een aantal beperkingen in hoofde van de gemeenten die de moeite zijn om te overwegen.

Het is geen theoretisch boek, maar een praktische gids die doorweven is van praktische voorbeelden. Zo worden er heel wat gemeentebelastingen aangehaald die bijvoorbeeld het gelijkheidsbeginsel of eenjarigheidsbeginsel schenden.

ga terug